Tole Bobbink

Column Tole Bobbink: Krantenwijken

  Column

Mijn opa was praktisch de enige arbeider met een eigen huis. Hij werkte in de fabriek en al zijn collega's huurden een huis. Hij had een mazzeltje gehad met het laten uitkopen door de gemeente voor de aanleg van de N348. Maar dat betekende wel dat hij zoveel mogelijk wilde werken, om zo snel mogelijk de hypotheek af te kunnen lossen.
'Schulden, daar moet je zo snel mogelijk vanaf.'
Naast het werken in de fabriek, hadden zijn vrouw en hij drie krantenwijken. Hij in het weekend, zijn vrouw twee door de week. Beide kinderen op de fiets, een voor en een achter. Bovenop de krantentas.
'Dat was wel zwaar, of niet?'
'Ja, maar de kinderen waren thuis en de kranten moesten om twee uur rondgebracht worden.'

Mijn opa bracht de kranten rond in een tijd dat er nog geen automatische incasso bestond. Elke zaterdag inde hij aan de deur een dubbeltje abonnementsgeld. Op maandag moest hij voor elke abonnee op kantoor betalen. Soms wilde het voorkomen dat iemand niet betaalde, dan mocht het volgende week. 'Maar als ik twee keer niet betaald kreeg, bracht ik ook geen krant meer.'
De krantenredactie was daar niet blij mee. 'Betaal jij mij dan dat dubbeltje?' zei opa tegen hen. Nee, dat risico durfden ze niet te lopen.
Een keer stond hij tegelijkertijd met de bezorger van de Margriet aan de deur om het geld te innen. De man zei: 'Sorry Bobbink, ik heb het dubbeltje niet.' 'Goed,' zei opa, 'maar dan krijgt u ook de krant niet meer.'
De bezorger van de Margriet begon te tieren. 'Dat kun je godverdegodver niet maken, geen geld voor de bezorger maar wel lezen?' Toen zei die man: 'Bobbink, jij krijgt je dubbeltje, maar jij niet.'
Mijn opa lachte. 'Ja, een Bobbink laat zich niet in de maling nemen, maar als je vriendelijk bent, krijg je toch je dubbeltje.'

Meer berichten