Tole Bobbink

Column Tole Bobbink: Geiten

  Column

Mijn opa woonde met zijn ouders op een boerderij die we tegenwoordig klein zouden noemen. Hij stond op de plek van de nieuwe Polbeek-toren. Omdat ze een boerderij hadden met dieren en gewassen, hadden ze nooit honger, ook in de oorlog niet, maar rijk werden ze er niet van. Daar tegenover staat de luxepositie van mijn vriendin en mij. We willen wonen op een boerderij voor de rust en een moestuin. Niet omdat we moeten leven van het land, maar omdat we willen eten wat we zelf verbouwen. We willen kippen, groenten en een geitje. Gewoon omdat een geitje leuk is.
Mijn vriendin vraagt of opa vroeger ook een geitje heeft gehad.
'Ja, heb ik. We kochten de geitjes als ze klein waren. En dan slachtten we ze als ze groot waren. In de oorlog deden we dat stiekem, want toen mocht dat niet. En als het een bok was werd die gecastreerd.'
Mijn vriendin zet grote ogen op.
'Ja, dat ging toen zo. Wel bij de dierenarts hoor.'
'Onder verdoving?'
'God nee, natuurlijk niet. Dat duurt maar even.'
'Maar opa...' Ze komt verder niet uit haar woorden.
Het is even stil en hij maakt, duidelijk in gedachten verzonken, met zijn hand een gebaar alsof hij op dat moment de geit castreert.
'We moeten niet kinderachtig doen, dat ging vroeger zo.'
'Dat is toch zielig?'
'Ach, dat doet maar even pijn.'
Het is stil in de kamer. Ik denk aan een castratie zonder verdoving. Mijn vriendin waarschijnlijk ook.
'Mijn vrouw was niet van het slachten, dat deed ik. Ook de kippen, die hielden we ondersteboven en dan sneden we zo rats...'
Mijn gedachten zijn nog bij de gecastreerde geiten en om maar niet nog langer over bloed en geslachte dieren na te hoeven denken, onderbreek ik mijn opa. Tegen mijn gewoonte in.
'Koffie, iemand?'

Meer berichten