Foto: Tim Pardijs
Column Tole Bobbink

Trimsalon

  Column

Samen met Lotje zit ik in de auto en ze piept omdat ze doorheeft waar we naartoe rijden. Eens in de drie maanden rijden we namelijk naar de trimsalon en alleen dan nemen we, aan het eind van de straat, de eerste afslag van de rotonde.

Het piepen wordt jammeren. 'Waarom moet ik nu alweer naar de kapper? Ik ben net geweest.'

'Omdat je klitten in je haar hebt en als we naar het bos zijn geweest neem je takjes en zand mee naar binnen.'

'Waarom borstel je me dan niet wat vaker?'

'Omdat je zoveel klitten hebt, dat ik er niet meer doorheen kom. We gaan je daarom zo kort mogelijk scheren.'

'En als we nou niet meer naar het bos gaan, hoef ik dan niet naar de kapper?'

'Waarom zou je daar niet naartoe willen? Je bent gelukkig in het bos, dat zei je vorige week nog.'

'Waarom onthoud je alles wat ik zeg?'

'Waarom ga je niet graag naar de kapper?

'Het gaat me niet om de kapper. Het gaat me om die tafel. Die is veel te hoog en dan moet ik een strop om mijn nek. Ik stik als ik van tafel val. Is dat wat je wilt?'

'Je valt niet zomaar van tafel af. Daar zorgt de kapster voor. En ze gebruikt geen strop, ze gebruikt een heel fijne halsband.'

'O ja? Doe jij hem dan om. En waarom moet ik eigenlijk naar de kapper? Jij gaat ook nooit.'

'Lotje, je ziet eruit als een rockgitarist van de jaren tachtig. Met een hoge hoed op kun je een coverband beginnen.'

'Maar als jullie me scheren, zie ik eruit als een hazewindhond. Dan kan ik sjans in de stad ook wel vergeten. Hazewindhonden zien eruit als rockgitaristen met een ziekte.'

Meer berichten




Shopbox