Foto: Tim Pardijs
Tole Bobbink

Column Tole Bobbink: Stad

Mijn vriendin en ik bereiden een trip naar de grote stad voor. We pakken tassen in en we verzamelen de spullen van Lotje die ze gedurende de dag nodig heeft: kleedje, eten, iets te spelen en iets te kauwen.

Lotje zelf loopt zenuwachtig om ons heen. Ze heeft door dat we weggaan, maar ze heeft nog niet door dat ze meegaat. Dat snapt ze pas wanneer we haar riem pakken en die pakken we heel bewust pas als laatste omdat ze anders piepend van plezier bij de deur gaat zitten.

Zodra we de riem hebben omgedaan, kijkt ze ons lachend aan: 'Waar gaan we heen?'

'Kom maar Lotje, stap maar in.' De achterklep is open en ze is zo enthousiast dat ze niet ziet dat we er een lekker bot hebben neergelegd.

Wanneer we rijden, zijn er een aantal belangrijke aanknopingspunten om te weten waar we naartoe gaan en wat we gaan doen. We komen langs de afslag naar de hei, maar we rijden door.

'Ah, gaan we niet naar de hei?' piept ze vanaf de achterbak.

We rijden vervolgens door en dat is dezelfde route als naar het bos en dat vindt ze ook leuk. Het piepen wordt harder. 'Het bos is ook goed, jongens. Kom, laten we naar het bos gaan.'

We rijden voorbij het bos en dan herkent ze de rotonde van de dierenarts. 'Nee,' piept ze, 'we gaan toch niet naar de dierenarts? Waarom? Vinden jullie het zo erg die teken uit mijn lijf te moeten halen? Ik kan het voortaan zelf doen. Echt.'

Wanneer we voorbij de dierenarts rijden, ontspant Lotje en piept ze alleen nog omdat ze zich niet wil laten kennen. Een klein piepje en een kreuntje en dan gaat ze liggen. 'Hé, hier ligt een botje. Lekker zeg. Gaan we naar de stad? Daar heb ik wel zin in.'

Meer berichten