Foto: Tim Pardijs
Tole Bobbink

Navigatie

Mijn vriendin en ik hebben het nichtje uit Utrecht, dat ondertussen zes is geworden, weer te logeren. Omdat haar broertje van bijna drie ook graag mee wil, zit hij naast haar op de achterbank.


De rit van Utrecht naar Zutphen is lang voor kleine kinderen en daarom hebben we een tussenstop gepland in Voorthuizen. Daar is voor kinderen een maisdoolhof waar we kunnen spelen, plassen en friet eten.


Het nichtje hoort een vrouwenstem route-aanwijzingen geven. 'Wat zegt ze?'
'Dat is de navigatie en die vertelt ons waar we heen moeten, lieverd,' zegt mijn vriendin.
'Mag ik hem vasthouden?'
'Ja, hoor. Maar nergens aankomen, hè?'
'Oké.'


Het gaat goed. Enthousiast herhaalt ze de instructies van de navigatie en het lijkt erop dat we rijden in de juiste richting.
Maar na een tijdje nemen we een afslag die ons niet logisch lijkt en mijn vriendin vraagt de telefoon terug. Als ik de auto stilzet omdat we de bestemming zouden hebben bereikt, kijken we om ons heen. We staan in een woonwijk in Woudenberg. Dat klopt niet.
Met een glimlach laat mijn vriendin het scherm van de telefoon zien. Google Maps staat ingezoomd op Venezuela.
'Heb je ergens aangezeten?' vraagt mijn vriendin.
'Nee,' zegt het nichtje beteuterd.


'Ander plan, want we komen nu te laat voor het doolhof.' We brengen het nieuws voorzichtig. 'We rijden in een ruk door naar het pannenkoekenhuis in Voorst. Maar dat duurt lang, dus we moeten met zijn allen wachten tot we er zijn.'
'Hoelang?'


De navigatie berekent de nieuwe bestemming.
'Veertig minuten.'
'Hoeveel is veertig minuten tellen?'
'Veertig keer zestig.'
'En hoeveel keer tot tien?'

Mijn vriendin en ik kijken elkaar aan. We hebben de gezichtsuitdrukking van hoofdrekenen.
'Tweehonderdveertig,' zeggen we bijna tegelijk.
'Dan vraag ik het straks nog wel een keer.'

Meer berichten